Ome Eeb

Het is zondagavond, 8 uur. Normaal zit ik niet in de kroeg rond deze tijd, maar voor nu maak ik een uitzondering. We gaan samen naar de burgervader kijken: meneer Van der Laan bij Zomergasten.

Ik bestel geen bier, maar cola. Dit wil ik nuchter zien. Het voelt net alsof Ajax straks weer een Europese finale speelt. In de weken hieraan voorafgaand is de beste man enorm opgehemeld. Ik kan niet ontkennen dat ik met enige spanning op m’n stoel zit. Gaat hij het waarmaken?

Na een goed kwartier staat het al 1-0. Dit wordt de avond, zoals ik er al weken naar uitkeek. Ik ga goed achterover zitten en laat me leiden door de wereld van mijn burgemeester.

Veel gevoelige onderwerpen passeren de revue. De oorlog, de wederopbouw, Jan Schaeffer, Igone de Jongh, institutioneel racisme, de systeempolitiek: 2-0, 3-0, 4-0, 5-0, 6-0, 7-0. In twee woorden samengevat: liefde en kwetsbaarheid.

Van der Laan leek ons één levensles te willen geven: we zijn allemaal kwetsbaar en hebben allemaal behoefte aan liefde. Waarom hullen we dat in nevelen?

Als Amsterdam een politiek pamflet zou schrijven, dan zou het integraal uitzenden van dit vraaggesprek volstaan. Meneer Van der Laan is een ode aan deze stad, een Amsterdamse god. In de recensies las ik dat de burgemeester werd gezien als het politieke baken waaraan zoveel mensen behoefte hadden. Maar bovenal: een baken van liefde.

En toen kwam Nouri. In de slotminuten, zoals we gewend zijn. Ik brak, de burgemeester ook. Eerst de beelden van zijn debuut, en toen de beelden van het vroege einde. Opnieuw een herinnering aan onze kwetsbaarheid.

Maar ook liefde. “De F-side en de Marokkanen namen elkaar mee in elkaars tradities”, zei hij. En inderdaad, zelden had ik zo’n mooie dienst gezien. Genoeg vooroordelen aan weerszijden, maar waar de burgemeester de idealen beschreef, leek Nouri deze woorden om te zetten in werkelijkheid. Een Amsterdamse godenzoon: profeet van samenzijn.

Plots stond het 34-0 op het scorebord. Geen gejuich, maar een traan van verdriet. “Dank u wel meneer de burgemeester.”, fluister ik diep vanbinnen.

Ik raak verzonken in gedachten: over 20 jaar, ergens in Amsterdam-West. Een voetbalpleintje vernoemd naar een groot voetballer. Een plek waar kinderen hun voetbaltalenten ontwikkelen onder toeziend oog van het standbeeld van een groot politicus.

Mijn kinderen komen naar me toe en vragen me wie die meneer van dat standbeeld was. Ze komen bij mij op schoot zitten en ik vertel ze het verhaal. Het verhaal van liefde en kwetsbaarheid; van de Amsterdamse glorie. Het verhaal van de Amsterdamse profeet en de Amsterdamse god; van Appie Nouri en van Ome Eeb.

“Een sprookje, papa?”.

“Nee echt gebeurd”.