Witte sneakers

Het is zomer. De zon schijnt. Ik doe de deur van mijn kledingkast open en geen moment twijfel ik. Hier met die witte sneakers! Wit. Grootse schoonheid. Stoer en fris. Ik heb zwarte Nikes, ik heb witte Nikes. Ze zijn me allebei lief. Maar die witte heb ik toch nét wat liever.

Wit is mijn uitgangspunt.

De voorkeur voor sneakers is onschuldig. Tot ik me wat meer bewust werd van het witte schoonheidsideaal onder de oppervlakte. Ik gaf de kleur wit wel érg vaak de voorkeur. Onbewust. Wit is mijn uitgangspunt.

Nooit zocht ik daar wat achter. Nooit had ik gedacht dat die voorkeur misschien wel wortelt in een aangeleerd normbesef, voortkomend uit de Gouden Eeuw.

Op school hebben we allemaal geschiedenislessen gehad, met de Gouden Eeuw als hoogtepunt. Ons kleine Nederland was dé wereldmacht. Handel, overwinningen, rijkdom en macht. We waren iedereen de baas. Wat klonk dat toen mooi. De eeuw van Rembrandt waarin vrijdenkers alles konden publiceren in een stad als Amsterdam. Iets om trots op te zijn. Inmiddels heb ik heel dubbele gevoelens bij die eeuw, want het bracht ons ook veel om ons voor te schamen. Want wie wat verder duikt in die geschiedenis, ziet een gapend gat: de slavernij. We worden opgevoed met onwetendheid over dat gigantische trauma. Een trauma dat al eeuwenlang alleen maar geldt voor mensen met een bepaalde huidskleur: zwart.

Destijds werd de slavernij gelegitimeerd door racisme. Handelen in minderwaardige mensen kon niet goddeloos zijn. Nu is dat verleden een bron van racisme geworden. Mensen die er de discussie over willen aangaan, krijgen een stroom racistische haat over zich heen. Als je niet oppast word je als columniste even weggezet als ‘Trouw-negerin’, zoals journaliste Seada Nourhussen eerder deze week overkwam. En stelselmatig overkomt. Dan heb ik het nog niet eens over de ‘uitzwaai-acties’ en het photoshoppen van lynchpartijen.

Het brengt herinneringen terug van toen ik 8 jaar oud was. Een onverkwikkelijk gevoel bekruipt me, als ik daaraan denk. Mijn moeder en ik stonden op het schoolplein. Omdat mijn moeder de Nederlandse taal niet goed machtig was, sprak ik Arabisch of een mengelmoes met haar. Een klasgenootje liep langs en riep dat ik moest ophouden met mijn ‘kuttaal’. Het raakte me diep. De discriminatie en haat die ik heb ervaren, draaiden altijd om mijn culturele afkomst, niet om mijn kleur. Als witte man kan ik me eigenlijk niet voorstellen hoe het zou hebben gevoeld als ik daarop structureel minachtend en neerbuigend zou zijn aangesproken.

Die pijn en dat verdriet.

Daarom bewonder ik Seada Nourhussen en alle andere sterke zwarte vrouwen en mannen die deze strijd aangaan. Ik zou ze willen vragen om vergiffenis. Als Nederlander voel ik schaamte voor ons verleden, maar meer nog voor de schande van al dat racisme in het heden. Hier nooit meer over zwijgen; dat is wat ik moet doen, nu ik een beetje aanvoel waar zij door worden geraakt.

De essentie van een samenleving is samen leven en daarvoor is empathie nodig. Empathie creëer je door begrip en begrip door kennis. Inmiddels probeer ik er dus alles aan te doen om hier meer over te leren. Ik werd gegrepen toen iemand me wees op The Black Archives.

Maar we moeten groter denken dan dit soort mooie particuliere initiatieven alleen. Het is tijd voor een Nationaal Museum Slavernijverleden. Want ik gun mezelf die kennis en mijn kinderen straks niet mijn onwetendheid. Laat voorkeur voor wit een kwestie van smaak zijn, niet meer de dominante onderstroom in ons bewustzijn.